• Meertaligheid op de basisschool (VI)

    /

    De Gemeente Amsterdam heeft besloten actief te gaan stimuleren dat de basis- en middelbare scholen recht doen aan de meertaligheid van leerlingen (Parool 26/1/2023). Het gaat om leerlingen die naast het Nederlands (de schooltaal) met een tweede taal (de thuistaal) opgroeien. November 2021 hadden de raadsfracties Groenlinks en Denk daartoe een initiatiefvoorstel ingediend. Het College van B&W heeft zich achter dit voorstel geschaard (6/12/2022) en deze week heeft de gemeenteraad het voorstel aanvaard. Langs verschillende lijnen wordt er gewerkt aan een “Actieplan Meertaligheid in het Onderwijs”. Trefwoorden: inclusief onderwijs waarin meertalige leerlingen zich geaccepteerd voelen; en versterking van een taalvriendelijk klimaat op scholen en schoolpleinen om aan deze leerlingen gelijke kansen te bieden.

  • Militaire vorming op school

    /

    Één reactie

    In Nederland bestaat er een militaire dienstplicht voor mannen tussen 17 en 45 jaar (en sinds 2020 ook voor vrouwen), maar sinds 1997 is de opkomstplicht opgeschort. In de USA zijn alleen mannen dienstplichtig, maar sinds het einde van de Vietnamoorlog (1973) wordt ook daar de opkomstplicht niet meer geëffectueerd. Sinds de opschorting van de opkomstplicht bestaan zowel de Nederlandse als de Ameri­kaanse strijdkrachten dus uitsluitend uit beroepsmilitairen en oproepbare reservisten. Daarmee is het werven van militair personeel en het in stand houden van een reservoir van mobilisabele hulptroepen een cruciaal landsbelang geworden.
    In dat verband speelt het Amerikaanse hoger onderwijs een belangrijke rol. In Amerikaanse ‘colleges’ kunnen studenten tijdens hun studietijd een militair opleidingsprogramma volgen van het Reserve Officers’ Training Corps (ROTC). Dat levert hun een studiebeurs op, maar als tegenprestatie moeten ze na hun afstuderen een dienstverband bij Defensie aangaan dan wel een contract als reserveofficier tekenen.
    Maar ook op hun middelbare school krijgen leerlingen al militaire vorming aangeboden, namelijk op de ‘highschool’ (het schooltraject voor 15- t/m 18-jarigen). Daar kunnen zij zich inschrijven voor het Junior-programma van het ROTC: een officieel schoolvak dat verzorgd wordt door gepensioneerde legerofficieren. De New York Times schreef er onlangs een artikel over (11/12/2022). Het JROTC geeft niet alleen aansluiting op de officiersopleiding voor collegestudenten, maar is vooral ook bedoeld als voorbereidings- en wervingskanaal om ‘lower-class’ leerlingen te stimuleren na highschool rechtstreeks naar lagere militaire functies door te stromen. Kenmerkend voor het modale programma: tijdens de contacturen wordt het militaire uniform gedragen, nadruk op karaktervorming, burgerschapsvorming, patriottisme, disciplinering, sportbeoefening en fysieke fitness, samenwerking en teamwork, competent leiderschap jegens ondergeschikten en gehoorzaamheid jegens superieuren, et cetera.
    Waarom schreef de NYTimes onlangs een kritisch artikel over het JROTC-programma? Er zijn sterke aanwijzingen dat eerstejaars­leerlingen door sommige highschools verplicht worden aan het eerste jaar van het programma te participeren (of dat er zware druk op hen wordt uitgeoefend in die richting), terwijl het (meerjarige) programma bedoeld is als een keuzevak binnen het highschoolcurriculum. Bij verplichte deelname maakt de school zich schuldig aan eenzijdige indoctrinatie. Eerder schreef de NYTimes ook over het risico dat de strak-hiërarchische relaties binnen het programma grensoverschrijdend gedrag in de hand werken, terwijl er te weinig toezicht is om dat risico te reduceren. Verder, denk ik, dat men moet waken tegen schadelijke interferentie tussen enerzijds de normen en waarden die door het JROTC-programma worden ingeprent en anderzijds de normen en waarden die door de school en door de rest van het docentencorps worden uitgedragen.

  • Op de drempel: naar een slimmer collegejaar (II)

    /

    4 reacties

    Morgen viert de website Onderwijsethiek.nl zijn zestiende verjaardag. In dat tijdsbestek zijn meer dan 1500 blogberichten uitgebracht. De inhoudsopgave over 2022 tref je HIER aan. Het is nuttig op dit moment weer eens terug te kijken op een blogbericht dat ik een paar maanden geleden schreef over het pilotproject ‘Een slimmer collegejaar’, waarvoor minister Dijkgraaf een kleine tien miljoen euro sub­sidie heeft uitgetrokken. Dit vierjarige project komt voort uit een lobbycampagne van universitaire onderzoekers. Zij klaagden dat hun jaarlijkse onderzoeks-output ernstig te lijden heeft van hun zware en verbrokkelde onderwijslast. Daarbij debiteerden ze loze beweringen als zou het gras bij de buitenlandse buren veel groener zijn.
    Doel van het pilotproject is om het jaarlijkse aantal onderwijs- en tentamenweken “op een verantwoorde wijze terug te brengen en/of bestaande onderwijsactiviteiten slimmer in te richten, zodat er gedurende het collegejaar meer ‘rust en ruimte’ voor studenten en docenten ontstaat. Hierdoor komt er ook meer ruimte voor andere zinvolle activiteiten. Denk bij docenten en onderzoekers bijvoorbeeld aan: het verbeteren en vernieuwen van het onderwijs; onderzoek verrichten; deelname aan (wetenschappelijke) conferenties; volgen van trainingen en cur­sussen. Denk bij studenten aan: meer keuzemogelijkheden qua timing, tempo en toetsmomenten; extra-curriculaire activiteiten; summer-schools; stages; buitenlandverblijf; balans tussen studie, (bij)baan en privé.” Het doel is om het jaarlijkse aantal onderwijs- en tentamenweken “op een verantwoorde wijze met – in de regel – vier weken terug te brengen, zodat de werk­druk van zowel docenten en onderzoekers als van studenten wordt teruggebracht.” Zo stond geschreven in het voorlopige projectvoorstel d.d. 15/7/2022, dat minister Dijkgraaf als bijlage meestuurde bij zijn Kamerbrief d.d. 4/10/2022.
    Maar in de eerste maanden van 2023 moet het definitieve projectplan worden opgesteld. Die klus ligt op het bordje van de twee project­leiders die respectievelijk door de EUR en de UvA (de penvoerende universiteiten voor het interlokale project) worden aangesteld. Onlangs, op 15 december, is de wervingsadvertentie voor de Rotterdamse projectleider gepubliceerd. Aansluitend bij het eerdere pro­jectvoorstel worden in deze advertentietekst wederom de projectdoelen omschreven, maar er worden nu andere accenten gelegd. De werkdruk van docenten en onderzoekers zal worden verlaagd door reductie van het jaarlijkse aantal onderwijs- en tentamenweken, maar men laat nu in het midden of ook de werkdruk van studenten omlaag wordt gebracht. De nieuwe tekst lijkt te impliceren dat men is af­gestapt van het streven de keuzemogelijkheden voor studenten (qua timing, tempo en toetsmomenten) te vergroten en hun een betere balans tussen studie, (bij)baan en privé te gunnen. Hiermee rijst dus de vraag: hoe beheerst men het risico dat de reductie van het jaar­lijkse aantal college- en tentamenweken tot verhoging van de werkdruk en stress bij studenten zal leiden? is men bereid waar nodig tot radicale tempodifferentiatie binnen het onderwijs- en tentamenprogramma over te gaan, ten­einde onnodige overbelasting, onnodige onderbelasting en onnodige verlenging van de studieduur te voorkomen?
    Het lijkt me verstandig dat de onderwijsinspectie, de studentenfracties in de lokale medezeggenschapsorganen, de landelijke studenten­organisaties (ISO en LSVb) en de nationale volks­vertegenwoordiging de vinger aan de pols houden opdat de wettelijke spelregels over studie­last, cursusduur en studeerbaarheid, die zijn opgesteld om de belangen van studenten te be­schermen, bij het opstellen van het projectplan in acht worden genomen.

  • Blinde beoordeling van studieprestaties

    /

    De digitale krant van de Universiteit Utrecht (DUB 28/11/2022) beschrijft hoe het staat met het bestuurlijke streven naar anoniem tentamineren. Dat is trouwens een merkwaardige woordcombinatie. Streeft men naar een tentamenprocedure waarin de naam van de tentaminator onbekend blijft? Neen, men bedoelt een procedure waarbij de beoordelaar van studieprestaties niet weet door wie de prestatie geleverd is. De beoordelaar heeft, als Vrouwe Justitia, een blinddoek op, want gelijke prestaties moeten gelijk beoordeeld worden. Zolang het oordeel niet geveld is, blijft de identiteit van de betrokken student verborgen, om te voorkomen dat het oordeel van de tentaminator vertekend kan worden door studentkenmerken die niet ter zake zijn. Dat zijn studentkenmerken die niet tot de overeengekomen beoordelings­criteria behoren.
    Het is dus beter te spreken van: blinde beoordeling van studieprestaties. Bij blinde beoordeling bewerkstelligt men niet alleen dat de naam van de student verborgen blijft voor de beoordelaar. Ook voorkomt men dat de beoordelaar zich anderszins een visuele voorstelling van de student kan maken: man of vrouw? huidskleur? ras? sociale klasse? leeftijd? gelaatsuitdrukking? fysieke aantrekkelijkheid? lichamelijke handicaps? kleding? make-up? lichaamsverzorging? ver­sierselen? Het gaat om alle studentkenmerken, welke dan ook, die niet ter zake zijn in het licht van de overeengekomen beoordelingscriteria. Dus óók om vlijt, netheid of gedrag; lees-, schrijf-, spreek- of denksnelheid; studieachterstand en recidive; beheersing van de Nederlandse (c.q. Engelse) taal; accentloze uitdrukkingsvaardigheid in het ABN; bekendheid met de Nederlandse cultuur en Nederlandse omgangsvormen; politieke, morele of religieuze opvattingen; et cetera.
    Door blinde beoordeling van studieprestaties tracht men dus te voorkomen dat studenten een bonus of malus krijgen op grond van kenmerken die niet ter zake zijn, dus dat ze coulanter of strenger beoordeeld worden dan ze op grond van de overeengekomen beoordelingscriteria en op basis van het gelijkheidsbeginsel zouden verdienen.
    Lees verder … (PDF)

  • Slimmer onderwijzen, studeren en toetsen (I): de pilotprojecten van minister Dijkgraaf

    /

    Één reactie

    Op 6 september 2021 begonnen universitaire medewerkers, verenigd in de DJA (De Jonge Akademie), een lobbycampagne om de duur van het collegejaar te reduceren zodat ze jaarlijks meer tijd zouden overhouden voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Naar aanleiding daarvan heeft minister Dijkgraaf (OCW) op 4 oktober 2022 besloten dat de universiteiten vier jaar lang in pilotprojecten mogen bekijken of het collegejaar van hun opleidingen met vier weken bekort kan worden. Het gaat om de weken die door studenten besteed (kunnen) worden aan: onderwijsdeelname; deelname aan tentamens en herkansingen; en deelname aan begeleide scriptie- of stageprojecten. Het is nog niet helemaal duidelijk of daarbij ook worden meegerekend: de weken die de wetenschappelijke staf daarenboven moet besteden aan het beoordelen en becijferen van de studieprestaties van studenten. De instellingen worden nu gepolst of ze, met ingang van 2023, aan de pilots willen deelnemen.
    Het doel van de pilots is niet alleen dat de jaarlijkse werkdruk van de universitaire medewerkers gereduceerd wordt, zodat ze meer rust en ruimte krijgen om hun (onderwijs- en) onderzoekstaken te verrichten. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat ook de studiedruk van studenten omlaag wordt gebracht. Maar de minister spreekt zich nog niet zo duidelijk uit over de volgende vragen:
    a) Blijft de wettelijke studielast per cursusjaar gefixeerd op zestig studiepunten ad 28 uur, dat is 42 weken ad 40 studie-uren per cursusjaar (dus 1680 studie-uren voor de gemiddelde student, de zgn. normstudent)?
    b) Wordt de spelregel gehandhaafd dat een bacheloropleiding voor deze normstudent studeerbaar moet zijn in de drie jaar die ervoor staat, d.w.z. geldt nog steeds als spelregel dat deze (norm-)studenten niet overbelast mogen worden als ze in principe 3×1680 studie-uren nodig hebben en de opleiding in de nominale studieduur willen voltooien?
    c) Kunnen deze studenten aanspraak maken op vrij besteedbare academische vakanties, dus zonder studieverplichtingen? Zo ja, hebben deze een omvang van tien weken per jaar?
    d) In hoeverre mag van universiteiten worden verwacht dat ze (conform de wettelijke regels) extra onderwijs- en tentamenfaciliteiten in stand houden voor deeltijdstudenten en voor studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen?
    Lees verder … (PDF)

  • CBHO: nieuws over plagiaat

    /

    2 reacties

    CBHO, het landelijke beroepscollege voor studentenzaken, heeft sinds maart 2021 twee studenten in het gelijk gesteld, die door hun universiteit of hogeschool tuchtrechtelijk waren aangepakt wegens het plegen van plagiaat in een werkstuk. Het ging om beroepsprocedures die waren aangespannen tegen de Universiteit van Amsterdam (CBHO 2020/155) en de Hogeschool Rotterdam (CBHO 2022/018). De volgende vragen waren in het geding.
    1. Leidt de constatering van plagiaat automatisch tot de beschikking dat het (deel)tentamen (in casu het ingeleverde werkstuk en de eventuele beoordeling ervan) ongeldig wordt verklaard (ordemaatregel 1.1)? Neen, volgens CBHO 2020/155 mogen lichte inbreuken op de plagiaatsconventies (zoals het vergeten van aanhalingstekens), wel met een lager beoordelingscijfer, maar niet met strengere maatregelen (zoals genoemd onder 1, 2 en 3) worden bestraft. CBHO 2022/018 introduceert een concreter criterium: het (deel)tentamen mag pas ongeldig worden verklaard als de examencommissie ten gevolge van het plagiaat niet in staat is de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de student binnen de gewenste zekerheidsmarges te beoordelen (vergelijk artikel 7.10 lid 1 van de hogeronderwijswet WHW).
    2. Heeft maatregel 1.1 automatisch als consequentie dat een nieuw werkstuk ter beoordeling moet worden ingeleverd (strafmaatregel 2.1); of zelfs dat het hele tentamen (inclusief de overige deeltentamens van de onderwijseenheid) opnieuw moet worden afgelegd (strafmaatregel 2.2)? Of kan men in sommige gevallen met een coulantere oplossing volstaan: dat weliswaar het (deel)tentamen opnieuw moet worden afgelegd (want het oude werkstuk was niet beoordeelbaar), maar dat het oude werkstuk opnieuw ter beoordeling mag worden ingeleverd nadat de gewraakte omissie is hersteld (herstelgerichte maatregel 2.3)? Volgens CBHO 2022/018 moet men bij lichte inbreuken op de plagiaatsconventies (zoals één vergeten bronvermelding) met de herstelmaatregel 2.3 volstaan. Eventueel kan daaraan een lichte strafmaatregel worden toegevoegd: een formele berisping.
    3. Bij constatering van plagiaat, is de examencommissie bevoegd niet alleen de maatregelen 1.1, 2.1, 2.2 en 2.3 op te leggen, maar ook de strafmaatregel 3.1: de student wordt gedurende een bepaalde termijn uitgesloten van deelname aan één of meer met name genoemde tentamen- of examenvoorzieningen (artikel 7.12b lid 2 WHW). Is dat een automatische consequentie van de onder 2 genoemde maatregelen? Neen, volgens CBHO 2022/018 mag zo’n afwijzingstermijn niet worden opgelegd als het gaat om een lichte inbreuk op de plagiaatsconventies (zoals één vergeten bronvermelding).

  • Herinvoering van de basisbeurs (III): de uitkeringsduur

    /

    2 reacties

    Je kan je over veel dingen druk maken, als het over uitkeringen gaat. Zijn ze hoog genoeg? Zijn ze waardevast? Worden ze eerlijk verdeeld tussen rechthebbenden, naar woonsituatie en naar draagkracht? En er kunnen ook vraagtekens worden gezet bij de uitkeringsduur. Sinds 1996 blijft het recht op een basisbeurs (en op een aanvullende beurs) beperkt tot de cursusduur. Voor hbo-studenten is dat de vierjarige bacheloropleiding en universitaire studenten worden geacht in die vier jaar zowel de driejarige bachelor- als een éénjarige masteropleiding te kunnen door­lopen. Maar bij het vaststellen van de uitkeringsduur is men er ten onrechte van uitgegaan dat de opleidingen voldoende studeerbaar zijn in de cursusduur.
    1. Men ziet namelijk over het hoofd dat de wettelijke studielast voor de gemiddelde student 1680 uur per cursusjaar bedraagt (60 studiepunten van 28 uur). Deze normstudent moet jaar­lijks 42 weken van 40 uur besteden om die zestig punten te verwerven. De helft van de stu­denten heeft dus méér dan 40 uur per week en/of méér dan 42 weken per jaar nodig om het officiële studie­tempo bij te benen. Dat kan bijvoorbeeld komen door een lager beginniveau, minder goede beheersing van de Nederlandse of Engelse taal of lagere begaafdheid. Het is dan ook een flagrante onrechtvaardigheid geweest dat studenten met ingang van 1996 wel het uitloopjaar van de prestatiebeurs ontnomen is, maar dat er geen flankerend beleid wordt ge­voerd om hun recht op passend onderwijs te garan­deren. Zelfs de inhaaltentamens in augustus zijn door de meeste faculteiten afgeschaft. Wie jaarlijks meer dan 2200 euro college­geld betaalt, mag toch verwachten dat het onderwijs- en tentamenprogramma binnen redelijke grenzen wordt afgestemd op verschillen in studietempo en dat vertraagde studenten in elk geval verschoond blijven van maatregelen die nog meer studievertraging (en nog meer studieschul­den) genereren.
    2. Door het wegvallen van het uitloopjaar in de studiefinanciering is ook ernstige schade berokkend aan studenten die onverhoopt de verkeerde studie kiezen. Als ze pas na het eerste studiejaar omzwaaien naar een andere opleiding, worden ze na drie jaar met hoge kosten geconfronteerd. Een flankerend beleid voor omzwaaiers zou moeten omvatten: (a) versterking van de oriënterende en verwijzende propedeuse tussen 1 september en 1 februari en de mogelijkheid per 1 februari in te stromen in een nieuwe opleiding; (b) een ruimhartig vrij­stellingenbeleid voor studenten die elders studiepunten hebben behaald; (c) (in combinatie met b:) inrichting van een ‘vrije studierichting’ in elke ho-instelling; (d) invoering van brede propedeuses waarna de studenten hun major kiezen.

  • Herinvoering van de basisbeurs (II)

    /

    Één reactie

    Het kabinet Rutte-IV wil volgend jaar opnieuw de basisbeurs binnen het hoger onderwijs invoeren. Op de website Internetconsul­tatie.nl heeft onderwijsminister Robbert Dijkgraaf aangekondigd wat studenten maandelijks mogen verwachten: 109,90 euro voor thuis­wonenden en € 273,90 voor uitwonenden. Dat lijkt een leuk bedragje, maar dat wil niet zeggen dat deze uitkering ook waarde­vast is. In de afgelopen decennia is het vertrouwen van de studenten ernstig ondermijnd.
    I. Het ‘maandelijkse normbudget’ voor de studiefinanciering. Weliswaar wordt het norm­budget jaarlijks aangepast aan de ont­wikkeling van de consumentenprijsindex, maar daar­mee is niet gezegd dat de hoogte van de basisbeurs meestijgt. De minister kan namelijk schui­ven tussen de drie componenten van het normbudget: 1. toegestane basislening; 2. basis­beurs; en 3. maximale aanvullende beurs (= veronderstelde ouderlijke bijdrage = toe­gestane aanvullende lening). Bovendien kan de indexering van het normbudget door de wetgever worden opgeschort (zoals de studenten in de jaren 2010 hebben ondervonden).
    II. Het totale maandelijkse studentenbudget. Het maandelijkse normbudget is bedoeld als bijdrage van de overheid in de kosten van levensonderhoud (inclusief de variabele studie­kosten). Maar het totale studentenbudget omvat nog twee andere posten: 4. het jaarlijkse collegegeld (financierbaar door het opnemen van een ‘collegegeldkrediet’); en 5. de studen­tenreisvoorziening (een beurs-in-natura). Het collegegeld is in de afgelopen decennia veel harder gestegen dan de consumentenprijsindex. In absolute bedragen was de maande­lijkse basisbeurs voor uitwonenden in 2015 nagenoeg even hoog als die in 1991, maar het maande­lijkse collegegeld steeg van € 69,92 (1/9/1991) naar € 162,58 (1/9/2015). Dat is een stijging van 233%.
    III. Krimpflatie: de verkorting van de uitkeringsduur. Als het om bezuinigen gaat, heeft de overheid nog méér pijlen op z’n boog. In 1996 is de uitkeringsduur van de basisbeurs verkort: het vijfde uitloopjaar voor een vierjarige studie werd geschrapt. Dat was een zware tegenslag, want veel studenten lopen studievertraging op, ook al zouden ze zich ten volle inzetten om het jaarprogramma te doorlopen. De gemiddelde student heeft officieel 42 studieweken van 40 uur nodig om het programma bij te benen. Maar stu­denten die wekelijks méér uren nodig hebben, lopen algauw ernstige studievertraging op, zeker als de onderwijs- en tentamen­voorzieningen te weinig zijn afgestemd op hun studietempo. Een ander voorbeeld van krimpflatie is dat de uitkeringsduur van de studenten­reis­voorziening (de OV-studentenkaart) in de loop der jaren is bekort van zeven naar vijf jaar en dat de daaraan ver­bonden reisrechten zijn uitgehold.
    IV. Fiscale weglek is afgestopt.. De wetgever gaat ervan uit dat de ouders een financiële bijdrage leveren aan de opleiding van hun meerderjarige kinderen. Maar zolang deze recht hebben op Haagse studiefinanciering (uitkeringen, leningen of de studenten­reis­voorziening in natura), kunnen ouders hun financiële bij­drage niet als aftrekpost in hun belastingaangifte opvoeren.
    V. Een beter plan. Het is langzamerhand niet meer te verdedigen dat de jaarlijkse stijging van de basisbeurs achterblijft bij de jaarlijkse stijging van het collegegeld. Het wordt tijd dat het normbudget voor de studiefinanciering alsvolgt wordt ingericht: 1. Calculeer het collegegeld (en het collegegeld­krediet) per maand; 2. Verhoog de toegestane basislening met het (dekkende) collegegeldkrediet; 3.Geef thuis- en uitwonende studenten niet alleen een aanvullende beurs van dezelfde hoogte (zoals nu al het geval is) maar geef hun ook dezelfde basisbeurs; 4. Maak die basisbeurs even hoog als het verschuldigde collegegeld; 5. En maak de hoogte van presta­tiebeurs en collegegeld waardevast, door deze te indexeren op de consumentenprijsindex.

    Zie verder de tabellen 1 t/m 10 (PDF)

  • De vrijwillige ouderbijdrage van Slob (IV)

    /

    Tijdens de bewindsperiode van minister Slob (Rutte-III) hebben de Kamerleden Kwint (SP) en Westerveld (GL) met succes een initiatief-wetsontwerp door het Parlement geloodst, zodat het sinds 1/8/2021 verboden is dat leerlingen worden uitgesloten van schoolactiviteiten als hun ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen. Medio maart stelden de initiatiefnemers op­nieuw Kamervragen omdat nogal wat scholen dat verbod in het schooljaar 2021-2022 blijken te negeren. In antwoord daarop heeft de opvolger van Slob, VVD-minister Wiersma, beloofd de voorlichting te intensiveren en ook de Onderwijsinspectie aan het werk te zetten. Op 19 april heeft hij de scholen een schot voor de boeg gegeven.

  • Herinvoering van de basisbeurs: balletje-balletje?

    /

    3 reacties

    Op 25 maart 2022 publiceerde het ministerie van OCW een Hoofdlijnenbrief over de Her­invoering van de Basisbeurs voor studen­ten in het hoger onderwijs. Met het oog op het daarop­volgende commissiedebat (Tweede Kamer, 4 april) heeft de minister al een groot aantal Kamer­vragen beantwoord. Na dat debat heeft de Tweede Kamer op 7 april twintig moties in stemming gebracht.
    De historie van de studiefinanciering is vergeven van allerlei balletjeballetje trucs: je dacht dat je iets kreeg, maar voordat je ’t wist was het alweer in rook opgegaan. De ouders van uit­wonende studenten kregen tot 1986 drievoudige kinderbijslag, maar die werd omgezet in een basisbeurs voor de student zelf. De uitkeringsduur was aanvan­ke­lijk zes jaar, maar die werd in de loop der tijd teruggebracht tot vier jaar (aangevuld met extra uitkeringsjaren als de student opleidingen met een langere cursusduur volgde). De hoogte van de basisbeurs was aanvan­ke­lijk 600 gulden voor uitwonende studenten, maar dat werd gaandeweg minder, totdat er in 2015 alleen een aanvullende beurs overbleef, die even hoog is voor thuis- als voor uitwonen­den. De hoogte (maximaal € 419/mnd, prijspeil 2022) hangt af van de financiële draagkracht van de ouders.
    Deze versoberingen werden sinds 1991 enigszins goedgemaakt met de invoering van de OV-studentenkaart: de modale student kon maximaal zeven jaar lang vrij reizen. Maar ook daar kwam al snel de klad in. Sinds 1994 moet de student, wat vrij reizen betreft, kiezen tussen een week- en een weekendkaart en daarbuiten resteert slechts een kortingskaart voor de daluren. En sinds 2012 kan de modale student nog maar vijf jaar lang van de uitgeklede OV-kaart gebruik maken.
    Een andere versobering is dat de basisbeurs en de aanvullende beurs in 1996 werden omge­vormd tot een voorwaardelijke prestatie­beurs: als je geen diploma haalt moet je de ontvangen uitkeringen en de waarde van de genoten OV-studentenkaart (€ 104,42/mnd, prijspeil 2022) terugbetalen.
    Sinds 2015 krijgen studenten dus geen basisbeurs meer. Ze hadden mogen hopen dat hun ouders extra zouden gaan bijspringen, maar daar heeft de wetgever anno 2015 een stevige rem op gezet: een ouderlijke bijdrage is niet aftrekbaar voor de inkomsten­belasting (weer zo’n leuke balletje-balletje truc!). De kans is dus groot dat studenten een rentedragende lening moeten sluiten, of dat ze een betaalde werkkring moeten zoeken. Het nadeel van een bijbaan is wel dat ze meer risico lopen om vertraagd te raken in hun studie (elk jaar studievertraging kost tegen­woordig 2200 euro extra collegegeld!). Dit alles overziende heeft het kabinet Rutte-IV besloten om één miljard euro vrij te maken voor herinvoering van de basisbeurs. Volgens de OCW-rekenaars zou dat leiden tot een maandelijkse basisbeurs van 255 euro voor uitwonenden en 91 euro voor thuiswonenden (prijspeil 2022). Maar welke balletje-balletje trucages zitten dáár weer in besloten?
    Lees verder … (PDF)

  • Passend onderwijs voor hoogbegaafden (II)

    /

    Één reactie

    Dit blogbericht gaat over hoogbegaafde leerlingen (IQ van 130 of hoger). Vele HB-leerlingen knappen af op het reguliere basis­onderwijs, zelfs als ze een deel van de lestijd aan een plus­programma mogen deelnemen. Daarom zijn er voltijdse programma’s ont­wikkeld die op hun leer- en ondersteuningsbehoeften zijn afgestemd. Maar om zo’n programma draaiende te houden is er extra geld nodig, bovenop de normale rijksbijdrage. Daarbij stuiten de HB-scholen op vier problemen. a) Weliswaar kan de school beroep doen op de ouders om geld bij te passen, maar dat wringt met het idee van gelijke kansen voor HB-kinderen van minderdraag­krach­tige ouders. b) Per 1/8/2021 is de wettelijke regel ingevoerd dat niemand de toegang tot zo’n programma mag worden ontzegd, ook al zijn de ouders niet bereid of in staat een vrij­willige ouderbijdrage te betalen. c) Het regionale SWV (samenwer­kings­verband voor passend onderwijs) kan subsidie verlenen aan scholen met een voltijds HB-programma, maar het is daartoe niet wettelijk verplicht. d) Het College voor de Rechten van de Mens heeft medio 2021 bevestigd dat die wettelijke verplichting ontbreekt (hoogbegaafdheid is geen handicap), maar dat de rijksoverheid wel de morele verplichting heeft om in het basis- en voortgezet onderwijs programma’s te bekostigen waarmee aan de leer- en ondersteuningsbehoeften van HB-leerlingen wordt voldaan.
    De bestaande basisscholen met een voltijds HB-programma voeren nu campagne om te bereiken dat deze programma’s behoorlijk gefinancierd worden, zodat ze kwaliteit kunnen leveren zonder het risico te lopen in de financiële afgrond te belanden, zodat de lokale en landelijke opnamecapaciteit van het HB-onderwijs kan worden verruimd en zodat de ellenlange wachtlijsten tot het verleden gaan behoren. Er is in de afgelopen weken een situatieanalyse over het voltijdse basisonderwijs voor HB-leerlingen ge­rapporteerd, er is een brandbrief naar het ministerie van OCW en naar de Kamercommissie OCW gestuurd en de ouders van HB-leerlingen zijn een petitie gestart.
    Lees verder … (PDF)

  • Jongeren berechten jongeren (IV): het Albeda experiment

    /

    Één reactie

    Het Albeda College is een regionale mbo-instelling in Rotterdam-Rijnmond. De sectie Eco­nomie & Ondernemen (34 mbo-oplei­dingen) experimenteert sinds vorig najaar met een nieuwe vorm van tuchtrechtspraak om studenten te berechten als ze de regels van het schoolreglement hebben overtreden. De normale gang van zaken is dat studenten door of namens de school­direc­tie gestraft of bijgestuurd worden. Maar in de experimentele opzet kunnen de schooloffi­cials besluiten dat een bepaalde zaak, nadat de overtreding door de dader(s) erkend is, ter afdoening aan een studenten­rechtbank wordt voorgelegd. Voorwaarde is dat zowel de dader als de benadeelde partij akkoord gaan met deze wijze van afdoening en dat er geen aangifte bij de politie wordt gedaan. Het doel is dat de beide partijen met hulp van de studentenrechtbank tot een oplossing komen waarmee de schade wordt hersteld die de benadeelde partij is aangedaan. Niet de tuchtrechtelijke straftoemeting aan de dader maar het herstelrechtelijke belang staat voorop, waar­onder ook het belang dat beide partijen op school kunnen blijven functioneren.
    De leden van de studentenrechtbank worden begeleid door stafleden en hebben een training ontvangen om hun diverse rollen te vervullen: er zijn drie rechters, een aanklager, een advocaat van de dader en een advocaat van de benadeelde. Een bijzonderheid van het Rotterdamse experiment is dat de leden van de studentenrechtbank gerekruteerd worden uit studenten van de MBO4-opleiding tot juridisch-administratief medewerker. De studentenrechtbank moet als een leerwerkplaats voor de studenten van deze opleiding gaan fungeren.
    Ik ben niet voldoende juridisch onderlegd, maar bij mij als eenvoudige socioloog roept het experiment de volgende vragen op.
    Lees verder … (PDF)