Persoonlijke leermiddelen mbo: voorgeschreven maar ongebruikt

Medio 2018 zijn afspraken gemaakt over de schoolkosten die mbo-instellingen mogen door­berekenen aan hun studenten. Het gaat dus om de schoolkosten die bovenop het wettelijk verschuldigde les- of cursusgeld komen.
(a) De school (c.q. het stage- of leerbedrijf) moet voorzien in de basisuitrusting voor de student; deze blijft eigendom van de school (c.q. het bedrijf), maar het staat de student vrij sommige onderdelen van die basisuitrusting voor eigen rekening aan te schaffen.
(b) Bovenop deze basisuitrusting kan de school op basis van vrijwilligheid supplementaire voorzieningen aanbieden, die wel een meerwaarde hebben maar ‘niet noodzakelijk zijn voor het volgen van de opleiding en het behalen van het diploma’; de kosten daarvan kunnen worden doorberekend aan de student.
(c) De school (c.q. het bedrijf) kan van de student verlangen dat hij/zij bepaalde onderwijs­benodigdheden (leermiddelen voor persoonlijk gebruik) aanschaft, die noodzakelijk zijn voor het volgen van de opleiding en het behalen van het diploma; maar gedwongen winkelnering is niet toegestaan.
(d) Zo nodig wordt financiële steun ad (b) en (c) geboden.
Lees verder … (PDF)

Studentenrechtbank CBHO wordt opgeheven

Het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs wordt opgeheven en de taken worden over­genomen door de afdeling Bestuurs­rechtspraak van de Raad van State. Door het Hoger Onder­wijs Persbureau werd gisteren (21/1/2022) bericht dat het wetsontwerp 35625 binnenkort plenair behandeld wordt in de Tweede Kamer: het debat staat geagendeerd voor donderdag 27 januari (10:35 tot 15:00 uur).
Het wetsontwerp werd november 2020 ingediend met het doel de rechtsbescherming van mbo-studenten te verbeteren en de rechtspositie van mbo-, hbo- en wo-studenten te harmoniseren. Tom Barkhuysen, partner van het Advocatenkantoor Stibbe, heeft in een artikel (januari 2021) uitgelegd wat het wetsontwerp voor mbo-studenten betekent. Binnen het hoger onderwijs is tot nu toe nauwelijks aandacht besteed aan het wetsontwerp. Dat komt doordat er in de eerste ver­sie, die januari 2020 ter internetconsultatie gepubliceerd werd, voor de hbo- en wo-studenten niets zou veranderen: de mbo-studenten zouden bediend worden door het CBHO. Pas na de internetconsultatie werd besloten de bijzondere rechtspleging voor studenten te beëindigen en hen bij de reguliere bestuursrechtspraak onder te brengen
Het streven is het wetsontwerp na goedkeuring door de Eerste Kamer per 1 augustus 2022 in werking te stellen, zo stond in de oorspronkelijke Memorie van Toelichting. Men sloot zelfs niet uit dat de transitie van CBHO naar RvS al op een eerder tijdstip geëffectueerd zou kunnen worden.

Generaal van Everdingen: een spotliedje

Twee dagbladcolumnisten, Heldring (NRC 1998) en Prinsen (Leids Dagblad 2005), hadden vage persoonlijke herinneringen aan een liedje: Generaal van Everdingen / Zat op de WC te zingen. Zij riepen de hulp van hun lezers in om daarover méér te weten te komen. Volgens Heldring (1917-2013) werd het gezongen in zijn ‘Leidsche’ studententijd in de jaren 1930. Maar volgens Joost Prinsen (geboren in 1942) was het een populair deuntje in zijn jongens­jaren, omstreeks 1950. Dat moet in Breda geweest zijn: zijn vader (alumnus van de Katho­lieke Universiteit Nijmegen) was van 1947 tot zijn overlijden (in 1952) burgemeester van Breda. Er was ook nog een derde versregel. Volgens Prinsen luidde die Bloemkool, geef mij maar bloemkool, maar Heldring herinnerde zich iets van Sixma baron van Heemstra. In dit artikel worden de bevindingen van Heldring en Prinsen samengevat. Vervolgens doe ik verslag van eigen naspeuringen.
Lees verder … (PDF)

Zwartboek eigen bijdragen hoger onderwijs

Dit is een van mijn goede voornemens voor 2022: ik maak een beginnetje voor een zwartboek ‘Eigen bijdragen hoger onderwijs’, in de hoop dat de landelijke studentenorganisaties (ISO en LSVb) dit initiatief op korte termijn overnemen. In principe hebben studenten recht op gratis onderwijs, tentamens en examens op voorwaarde dat ze het verschuldigde collegegeld betaald hebben. Maar in het nieuwe artikel 7.50 van de hogeronderwijswet (WHW, nader toegelicht in de artikelgewijze Memorie van Toelichting van de Variawet 2021) en uitgewerkt in de bij­behorende Ministeriële Regeling (juli 2021), is een aantal uitzonderingen vastgelegd. Daarbij gelden strenge voorwaarden: het College van Bestuur moet daaromtrent een reglement opstellen; voor minderdraag­krach­tige studenten moet een financieel vangnet worden geboden; voor beprijsde onderwijsvoorzieningen moet een kosteloos alternatief worden geboden; en als zo’n alternatief onmogelijk is, moet dat formeel door de faculteitsraad worden vastgesteld. In de Toelichting bij de Ministeriële Regeling (paragrafen 1 en 3.1) wordt ook als punt van aandacht genoemd: transparante en tijdige voorlichting aan studenten en aspirant-studenten.
Helaas moeten we concluderen dat de nieuwe regels een juridische gatenkaas zijn en dat er nog heel wat rechtszaken moeten worden gevoerd voordat er heldere jurisprudentie tot stand is gekomen. Het eerste wat studentenorganisaties nu moeten doen, dat is een zwartboek opstellen waarin de ernstigste wetsovertredingen en vraagpunten worden opgesomd. Mijn eigen bijdrage in die richting tref je in de reacties op dit blogbericht aan.

Oudjaar 2021: onprofessionele belangenverstrengeling

Dit jaar verschenen er 22 blogberichten op Onderwijsethiek.nl. De inhouds­opgave tref je HIER aan. Tussen half mei en eind sep­tember produceerde ik zes blogberichten over de wettelijke invoering van eigen bijdragen in het hoger onderwijs, die per 1 septem­ber haar beslag heeft gekregen. De onderwijs­instellingen mogen voortaan op eigen houtje besluiten sommige programma­onderdelen van een prijskaartje te voorzien, bovenop het collegegeld dat door de student betaald is. De opbrengst vloeit rechtstreeks in de kas van de desbe­treffende universiteit of hogeschool, zonder dat daarop enige publieke controle wordt uitgeoefend. Dat riekt naar onprofessionele belangenver­strenge­ling, waar­bij de uitoefening van de professionele verantwoordelijkheden onder­mijnd dreigt te raken door het eigenbelang van de professionals of van hun werk­gever. Weliswaar werd in de artikelsgewijze Memorie van Toelichting bij de Va­ria­wet (2021) paal en perk gesteld aan het heffen van eigen bijdragen (het zou alleen maar gaan om kosten die ‘niet redelijkerwijs’ voor rekening van de on­derwijsinstelling kunnen worden gebracht), maar in de daaropvolgende Minis­teriële Regeling is aan de instellingen nagenoeg carte blanche gegeven.
Op 15 december heeft de Onderwijsraad een adviesrapport uitgebracht onder de titel Publiek karakter voorop. Dat gaat eveneens over belangenverstrenge­ling: hoeveel verstrengeling is aanvaardbaar tussen enerzijds de publieke onderwijstaak in het basis- en voortgezet onderwijs en anderzijds het private ondernemerschap binnen die zelfde sector? In het Nederlandse onderwijsbeleid geldt als uitgangspunt dat het funderend onderwijs in principe kosteloos is voor de onderwijsdeelnemers. Maar de Onderwijsraad constateert dat de rijks­over­heid (als bekostiger) en de scholen (als professionele aanbieders van onder­wijs) niet voldoende duidelijk maken wat de leerlingen en hun ouders van een pro­fessionele school mogen verwachten. In hoeverre is het aanvaardbaar dat een school, zonder blikken of blozen, haar leerlingen naar private ondernemers (c.q. bijklussers) doorstuurt als ze bijles of huiswerk­begeleiding nodig hebben? en in hoeverre kan het door de professionele beugel als private ondernemers zelfs door de school in huis worden gehaald om dergelijke ‘extra onderwijs­diensten’ aan leerlingen te leveren op voorwaarde dat hun ouders bereid zijn daarvoor te betalen?
Lees verder … (PDF)

De eigen bijdragen van studenten: nieuwe regels (II)

Met ingang van 1 september is een nieuwe versie van artikel 7.50 in de hogeronderwijswet opgenomen. Sindsdien mogen universi­teiten en hogescholen bovenop het collegegeld eigen bijdragen heffen als studenten aan onderwijsvoorzieningen willen deelnemen. Dat is nader uitgewerkt in een Ministeriële Regeling die eveneens per 1 september 2021 van kracht is geworden. Deze komt in de plaats van het Gentleman’s Agreement dat minister Bussemaker in 2015 met het hogeronderwijsveld had gesloten. Naar mijn indruk is men in landelijk verband nog niet in actie is gekomen om docenten en studenten (en de leden van medezeggenschaps­organen) over de nieuwe regels voor te lichten. Ik hoop dat ik enigszins in deze lacune kan voorzien, vooral waar het gaat om eigen bijdragen voor de deelname aan practica, veldwerk, excursies, keuzevakken en honoursprogramma’s.

In eerdere artikelen op dit weblog heb ik nogal wat kritiek geuit op de Ministeriële Regeling. Wat was mijn belangrijkste kritiek?
Ik was nogal geschokt toen ik de concept-Regeling in mei onder ogen kreeg en toen zij op 1 juli nagenoeg ongewijzigd in de Staats­courant verscheen. De instellingsbesturen krijgen carte blanche om eigen bijdragen te heffen aan de deelnemers van onderwijs­voorzieningen. De minister doet geen enkele moeite om de belangen van studenten te beschermen tegen de voort­gaande vermarkting van het hoger onderwijs, of concreter: tegen het risico dat het heffen van eigen bijdragen op brede schaal in het verdienmodel van de universiteiten en hogescholen wordt opgenomen. Ik vond het onbegrijpelijk dat de minister zo’n juridische gatenkaas in de Staats­courant had geplaatst. Het lijkt wel het product van een paar onervaren junior ambte­naren of van een paar ijverige lobby­isten.

De afgelopen maanden heeft de Ministeriële Regeling niet alleen zakelijk kritiek maar ook woede en ongeloof bij mij opgeroepen. Gelukkig zijn die heftige sentimenten inmiddels een beetje geluwd. Waar is dat aan te danken?
Inmiddels heb ik de nieuwe versie van artikel 7.50 (en de bijbehorende Memorie van Toe­lichting) nog eens grondig herlezen en dat heeft me wel op andere gedachten gebracht: als universiteits- of hogeschoolbesturen eigen bijdragen in rekening willen brengen, moeten ze daarover nadere regels vaststellen. Dat betekent dat de lokale instellingsbesturen de wettelijke opdracht hebben gekregen om, binnen het Haagse kader, een lokaal Reglement Eigen Bijdragen op te stellen. In dat verband heeft de minister hun dus de vrije teugel gegeven: ze mogen, samen met de medezeggenschapsorganen, hun eigen boontjes doppen. Kennelijk verwacht de minister dat men in het vrije spel der academische krachten tot optimale lokale regelgeving zal komen. Vervolgens wordt het aan de Onderwijs­inspectie (en in laatste instantie aan de rechter) over­gelaten om te toetsen of de lokale regels binnen het Haagse kader passen. En eventueel kan de rechter zelfs vaststellen dat het Haagse kader niet aan de juridische basiseisen voldoet.

Hoe ziet dat Haagse kader er uit?
De wetgever heeft samen met de minister de volgende randvoorwaarden gesteld: (a) de eigen bijdrage heeft betrekking op de kosten van een practicum, onderwijsexcursie of workshop; (b) die kosten moeten voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding; (c) de hoogte van de eigen bijdrage mag niet het totale bedrag overschrijden van de kosten die daadwerkelijk gemaakt zijn om deze onderwijsvoorziening aan te bieden; (d) de faculteit moet in principe een kosteloos alternatief bieden ten behoeve van studenten die de eigen bijdrage niet willen betalen, maar zij is van die plicht ontslagen als zij in haar Onderwijs- en Examenregeling heeft vast­gesteld dat er geen kosteloos alternatief mogelijk is en dat de beprijsde voorziening essentieel is voor het realiseren van de op­leidingsdoelen; (e) het instellingsbestuur moet zorgen voor financiële ondersteuning van studenten die de eigen bijdrage niet kunnen betalen; (f) het instellingsbestuur moet een reglement opstellen voor het heffen van eigen bijdragen en voor de bijbehorende financiële ondersteuning; (g) indien de reis- en verblijfkosten van onderwijs­excursies of veldwerk ten laste van de student worden gebracht, moeten deze worden begrepen als een eigen bijdrage in de zin van artikel 7.50 WHW.

Lees verder … (PDF)

Afstandsonderwijs bleek passend onderwijs

“We willen iedere leerling passend onderwijs geven. Ten gevolge van COVID-19 moesten we echter terugvallen op afstands­onderwijs. Dat beperkte ons in onze mogelijkheden een optimale leeromgeving te bieden en iedere leerling optimaal te onder­steunen in zijn of haar leerproces. Daardoor hebben vele leerlingen achterstand opgelopen.” Ik weet niet of onderwijsjournalist Alyson Klein deze verhaallijn onderschrijft, maar ze zet er in elk geval een andere verhaallijn tegenover (Education Week 18/8/2021).
Zij rapporteert namelijk dat sommige leerlingen zijn opgebloeid dankzij het afstandsonderwijs. Ze leverden tijdens de lockdown betere leerprestaties, vergeleken met hun schoolse vorderingen vóórdat de pandemie toesloeg. De gemakkelijkste verklaring is dat de betrokken leerlingen niet alleen afstandsonderwijs van hun school, maar ook thuisonderwijs vanuit hun gezins- of familiesituatie hebben gekregen. Maar dan nog blijft de vraag waarom die combinatie van afstands- en thuisonderwijs zo succesvol is geweest. Allyson Klein heeft een aantal hypothesen verzameld.
1. Autistische leerlingen deden het tijdens de lockdown beter dankzij het feit dat ze meer individuele en minder groepsgewijze instructie kregen, dat hun taken beter gestructureerd waren en dat ze verschoond bleven van ongestructureerde sociale situaties (lunchpauzes, vrij werken in de klas).
2. Meer in het algemeen bleek tijdens de lockdown dat sommige leerlingen het beter deden dankzij het feit dat de sociale interactie met klasgenoten een stuk was teruggeschroefd.
3. Sommige leerlingen bleken het beter te doen dankzij het feit dat hun, vergeleken met de normale schoolsituatie, meer autonomie werd gegund: dat ze zelf hun tijd mochten indelen, en dat ze zelf mochten bepalen wanneer en hoelang ze geconcentreerd werkten, in welk tempo ze werkten, wanneer ze pauzeerden en op welke manier in welke volgorde ze hun taken uitvoerden.
4. Sommige leerlingen deden het tijdens de lockdown beter dankzij het feit dat er meer ge­legenheid voor individuele begeleiding door de leraar werd geschapen.
5. Sommige leerlingen (vooral jongens) deden het tijdens de lockdown beter dankzij het feit dat het leerproces gestimuleerd werd door computer-assisted quizzes and games.
6. Sommige leerlingen voelden zich tijdens de lockdown meer ontspannen als ze thuis aan hun schooltaken werkten, vergeleken met de werksituatie op school.
Lees verder … (PDF)

Criminalisering van slordigheden (II)

Het landelijk Beroepscollege Hoger Onderwijs (CBHO) heeft nieuwe jurisprudentie gecreëerd over de tuchtrechtelijke bestraffing van plagiaat. Het ging om een eerstejaarsstudente Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Mei 2020 leverde ze haar werkstuk voor het vak Mediaresearch in: Feminisme in Lady Bird en Little Women. Het werd door de plagiaatsdetector Turnitin gehaald en de scan wees uit dat ze bepaalde tekstgedeelten niet volgens de regels der kunst geciteerd had. De examen­commissie startte een tuchtrechtelijke strafprocedure. Haar werkstuk werd ongeldig verklaard en ze moest het vak volgend studie­jaar overdoen. Zij vond deze tuchtrechtelijke straf buiten proportie, maar ze slaagde er niet in, het lokale Beroepscollege voor de Examens daarvan te overtuigen. Ze zocht het hogerop bij het landelijke Beroepscollege en op 1 maart jongstleden volgde het vonnis: de docent had haar een lager cijfer mogen geven wegens de geconstateerde slordigheden, maar qua ernst en omvang recht­vaardigden deze onvolkomenheden geen tuchtrechtelijke sanctie. De examencommissie werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand die de studente gemaakt had (2.136 euro).
Op welke punten is de UvA in de fout gegaan? De examencommissie heeft van een mug (een paar slordigheden) een olifant (een tuchtrechtelijk vergrijp) gemaakt. Maar de fout ligt bij de instellingsbestuurders, want zij hebben in het Fraudereglement bepaald dat examencommissies verplicht zijn alle muggen tuchtrechtelijk te vervolgen. In artikel 1 (definities) worden wel­iswaar ernstige en minder-ernstige vormen van plagiaat onder­scheiden maar in artikel 5 is bepaald dat ook minder-ernstige vormen tuchtrechtelijk bestraft moeten worden met ongeldig­verklaring van het werkstuk en uitsluiting van tentamenvoorzieningen.
Het CBHO-vonnis impliceert dat dit draconische UvA-reglement in strijd is met de strekking van de hoger onderwijswet: naast ernstige en minder-ernstige vormen van plagiaat moeten nog gewone slordigheden of lichte kwaliteitsgebreken worden onder­scheiden, die buiten de reik­wijdte van het tuchtrecht vallen. Met dit genuanceerde standpunt heeft het CBHO, zo lijkt het, zich laten inspireren door de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit die sinds 2018 voor wetenschappelijke onderzoekers (en niet voor studenten) van kracht is: ‘In sommige gevallen echter is plagiaat van zo geringe omvang en betekenis dat de kwalificatie “schending van de wetenschappelijke integriteit” te zwaar is’ en dat hoogstens van ‘bedenkelijk gedrag’ of zelfs van niet meer dan ‘een lichte tekortkoming’ moet worden gesproken (blz. 23-24).

Andere bijdragen van studenten (II): tijdige voorlichting gewenst

Nog dertig nachtjes slapen, en dan weten de studenten welke eigen bijdragen ze aanstaand studiejaar moeten betalen bovenop het collegegeld van hun universiteit of hogeschool. Althans, dat zouden ze mogen verwachten, want per 1 september is het nieuwe artikel 7.50 van de hogeronderwijswet en de bijbehorende ministeriële regeling van kracht. Na die datum mogen aan studenten geen eigen bijdragen voor de deelname aan onderwijsvoorzieningen in rekening worden gebracht, tenzij dat met zoveel woorden is gereglementeerd en vastgesteld door of namens het instellingsbestuur.
Neem bijvoorbeeld de studenten die Aardwetenschappen studeren (of gaan studeren) aan de Universiteit Utrecht. De UU heeft haar reglementen altijd goed op orde, maar haar huidige regels zijn niet meer up-to-date. Dat geldt zowel voor haar Leidraad Extra Bijdragen Naast Collegegeld d.d. 5/7/2016 (die jaar-in-jaar-uit op haar website gepubliceerd wordt) als voor de Financiële Regeling Veldwerk (d.d. november 2019) van de opleiding Aardwetenschappen. Afgezien van de onzekerheden rond COVID-19, worden de geologiestudenten in het licht van de nieuwe wettelijke regels met de volgende vragen geconfronteerd:
a) Worden de meerdaagse excursies en meerweekse veldwerkprojecten beschouwd als onderwijsexcursies (c.q. practica) in de zin der wet en maken zij deel uit van de opleiding?
b) Komen de reis-, verblijfs- en maaltijdkosten voor rekening van de UU of maakt het instellingsbestuur gebruik van de wettelijke mogelijkheid deze kosten als eigen bijdrage aan de deelnemer door te berekenen?
c) Voldoet de faculteit aan haar wettelijke plicht studenten in de Onderwijs- en Examenregeling een kosteloos alternatief te bieden of heeft zij vastgesteld dat zo’n alternatief onmogelijk is?
d) Onder welke voorwaarden kunnen studenten financiële ondersteuning van de UU verkrijgen voor het betalen van de eigen bijdrage?
Bron: het nieuwe artikel 7.50 WHW en de Ministeriële Regeling

Een soort CAO voor studenten

De Universiteitsraad van de Erasmusuniversiteit heeft een aanzet gegeven tot een Collectieve Studieovereenkomst, een soort CAO voor studenten. Dat wordt bericht in ErasmusMagazine (1/7/2021): de Raad wil dat er ’s zaterdags geen schriftelijke tentamens worden afgenomen. Ook wenst de Raad dat studenten niet verplicht worden in de weekends of op feestdagen aan individuele of groepsopdrachten te werken.
In Maastricht is de Universiteitsraad eveneens in het geweer gekomen tegen de ontwikkeling van de universiteit in de richting van een semi-continubedrijf. In verband met de explosieve groei van de studentenaantallen, was de Rechtenfaculteit voornemens met ingang van het nieuwe studiejaar verplichte onderwijscontacturen in de avonduren te programmeren. Maar de Uraad heeft daar een stokje voor gestoken (Observant 24/6/2021).
Wat is er mis met de programmering van onderwijs en tentamens in de avonduren en op zaterdag? Volgens de Rotterdamse initiatiefnemer, raadslid Armand Gozé, behoort het tot de zorgplicht van de studieleiding om de gezondheid en het welzijn van studenten te beschermen en hun werkdruk in de hand te houden. Daarom acht hij het gewenst dat bij de inrichting van de onderwijs- en tentamenroosters de nodige rust- en hersteltijden worden gehandhaafd. Dat impliceert volgens hem dat aan studenten de vrije beschikking over hun weekend moet worden gegund. En naar analogie hechten studenten (en docenten?) in Mestreech ook aan hun dage­lijkse “feierabend”.
Dat is een belangrijke pijler van een CAO voor studenten. Maar daarnaast kunnen vier andere pijlers worden onderscheiden: zorg voor de onderwijs- en tentamenkwaliteit, beheersing van de studiekosten, facilitering van een optimale studieproductiviteit en waarborging van het recht op een tweede leven.
Lees verder … (PDF)

Andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs

1. Excellentie, heeft u kennis genomen van het artikel Vrees voor stortvloed aan eigen bijdragen van studenten in ScienceGuide?*)
2. Deelt u de vrees dat de Regeling andere bij­dragen van studenten in het hoger onderwijs tot een aanmerkelijke verhoging van het aantal beprijsde onderwijsvoorzieningen in het hoger onderwijs zal leiden?**) Zo neen, waarom niet?
3. Onderschrijft u de stelling dat een universiteitsbestuur in strijd met de bedoelingen van de wetgever zou handelen als hij, gezien de bijzondere aard van de opleiding, voor de deelname aan het verplichte talenpracticum Engels van de opleiding Engelse Taal en Cultuur (en voor de deelname aan het verplichte snijzaalpracticum van de opleiding Geneeskunde) een eigen bijdrage van studenten zou vragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de hoofdtekst van de concept-Regeling aan te passen om klip en klaar te maken dat onderwijsvoorzieningen alleen beprijsd mogen worden als het redelijkerwijs niet te rechtvaardigen valt de desbetref­fen­de kosten ten laste van het instellingsbestuur te brengen?
4. Onderschrijft u de stelling dat een hogere hotelschool in strijd met de bedoelingen van de wetgever zou handelen als zij niet alleen de ingekochte ingrediënten maar ook de afschrij­vingskosten van het keukengebouw en van de keukenoutillage aan de deelnemers van het voedingspracticum zou doorberekenen? Zo ja, bent u bereid de hoofdtekst van de concept-Regeling aan te passen, om klip en klaar te maken dat boekhoudkundige kostensoorten alleen mogen worden doorberekend als dat in redelijkheid te rechtvaardigen valt?
5. Onderschrijft u de stelling dat een instellingsbestuur in strijd met de bedoelingen van de wetgever zou handelen als het een onderwijsvoorziening binnen keuzevak X (resp. binnen een honours course X) zou beprijzen zonder een kosteloos alternatief (X1) aan te bieden, argu­men­terend dat studenten gewoon kunnen uitwijken naar een ander keuzevak (Y), resp. naar de corresponderende niet-honours course (Y) binnen het reguliere programma? Zo nee, kunt u uw oordeel staven met het ministeriële standpunt dat verwoord is in haar brief uit 2015?***) Zo ja, bent u bereid de hoofdtekst van de concept-Regeling aan te passen om misverstanden te voor­komen?
———–
*) https://www.scienceguide.nl/2021/06/vrees-voor-stortvloed-aan-eigen-bijdragen-van-studenten/
**) https://www.internetconsultatie.nl/eigenbijdragestudenten
***) https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2015/04/28/brief-over-eigen-bijdrage-studenten